ECLI:NL:CRVB:2021:117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op kinderbijslag wegens verlies woonplaats Nederland door verblijf in Portugal
Appellante, die sinds november 2013 met haar kinderen in Portugal verbleef voor studie, ontving kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Na een huisbezoek in februari 2018 concludeerde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) dat appellante geen duurzame persoonlijke band meer met Nederland had en beëindigde zij het recht op kinderbijslag per eerste kwartaal 2018.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, ondanks een onjuiste motivering van de Svb. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij tot augustus 2018 studiefinanciering ontving en de intentie had terug te keren naar Nederland, en stelde zij dat zij als verzekerde moest worden aangemerkt gedurende haar studie in Portugal. Tevens verzocht zij om prejudiciële vragen over het vrij verkeer van personen.
De Raad oordeelde dat op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 het begrip woonplaats bepalend is voor de toepasselijke wetgeving en dat een persoon niet gelijktijdig woonplaats in twee lidstaten kan hebben. Gelet op de feiten had appellante vanaf 1 januari 2018 haar gewone centrum van belangen in Portugal, waar zij woonde, haar kinderen naar school gingen en zij geen bezittingen of familie in Nederland had.
De Raad verwierp het beroep van appellante dat de toepassing van het Unierecht onredelijk was en zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal 2018 wordt bevestigd als beëindigd.