Uitspraak
19 4070 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond met haar dochter sinds 2013 ingeschreven op het uitkeringsadres. Na onderzoek door een sociaal rechercheur bleek dat appellante vanaf mei 2016 haar hoofdverblijf niet meer op dat adres had, maar bij haar vriend en elders verbleef. Het college trok daarom de bijstand over de periode van maart 2016 tot juni 2017 in en vorderde de kosten terug, met een boete wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank had de boete verlaagd maar het overige van het besluit in stand gelaten. In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel op het uitkeringsadres woonde, maar de Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen, waaronder waarnemingen, getuigenverklaringen en het buurtonderzoek, een toereikende feitelijke grondslag boden voor het standpunt van het college.
De verklaring van appellante zelf, waarin zij toegaf minder op het uitkeringsadres te zijn en vaker elders verbleef, ondersteunt dit. Het huisbezoek en de aanwezigheid van babyspullen waren onvoldoende om het hoofdverblijf op het uitkeringsadres aan te tonen. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand en verwierp het hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet wonen op het uitkeringsadres en schending van de inlichtingenplicht.