ECLI:NL:CRVB:2021:1200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na medisch onderzoek bevestigd in hoger beroep
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek met oogklachten, gevoelloosheid en hoofdpijn en ontving een Ziektewet-uitkering. Na medisch onderzoek door een arts van het UWV werd hij per 13 juli 2018 geschikt bevonden voor zijn arbeid, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen op basis van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen objectieve beperkingen waren die arbeid onmogelijk maakten. Appellant bracht in hoger beroep nieuwe medische informatie in, waaronder brieven en dossiers van diverse specialisten, en stelde dat zijn klachten pas na verwijdering van een cyste afnamen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze nieuwe gegevens geen aanleiding gaven het eerdere oordeel te herzien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de hoofdpijn niet medisch verklaard kon worden en dat de cyste geen relatie had met de klachten. Hoewel appellant zorgen had, was zijn algehele conditie redelijk en kon hij werken.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de Ziektewet-uitkering terecht was beëindigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellant is terecht beëindigd per 13 juli 2018 omdat hij geschikt was voor zijn arbeid.