ECLI:NL:CRVB:2021:1214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving een nabestaandenuitkering die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd beëindigd omdat zij niet meer voldeed aan de arbeidsongeschiktheidscriteria van ten minste 45%. De rechtbank had het bezwaar van appellante tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten.
In hoger beroep betoogde appellante dat het onderzoek naar haar beperkingen onvoldoende zorgvuldig was en dat de arbeidskundige beoordeling onjuist was. De Raad oordeelde echter dat de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig en adequaat waren uitgevoerd, waarbij rekening was gehouden met zowel lichamelijke als psychische klachten. De door appellante overgelegde aanvullende medische informatie gaf geen aanleiding tot twijfel aan de vastgestelde beperkingen.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af. Tevens kende de Raad appellante een schadevergoeding van €1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure, waarvan een deel door de Svb en een groter deel door de Staat wordt betaald. Daarnaast werden de proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding verdeeld tussen de Svb en de Staat.
Uitkomst: De nabestaandenuitkering is terecht beëindigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en appellante ontvangt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.