Uitspraak
19 4790 NIOAW
PROCESVERLOOP
mr. Beelaard verschenen. Het college heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg op 12 december 2017 een IOAW-uitkering aan. Het college weigerde deze omdat appellant substantiële handelsactiviteiten op Marktplaats verrichtte zonder een controleerbare administratie van de inkomsten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn recht op uitkering schattenderwijs vastgesteld kon worden, maar de Raad oordeelde dat noch de lijst van Marktplaatsadvertenties, noch het door appellant opgestelde overzicht voldoende duidelijkheid bood.
De Raad benadrukte dat de aanvrager een mededelingsplicht heeft op grond van artikel 13 IOAW Pro en dat het college op grond van artikel 9 IOAW Pro het inkomen moet verrekenen met de uitkering. Appellant had zijn handelsactiviteiten en inkomsten uit eigen beweging moeten melden. Het college had appellant pas na de aanvraag volledig geïnformeerd over de voorwaarden. De Raad wees het beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak.
De Raad vond geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door M. Hillen, in aanwezigheid van griffier B. Beerens, op 25 mei 2021.
Uitkomst: De aanvraag voor een IOAW-uitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende inzicht in handelsactiviteiten en inkomsten.