ECLI:NL:CRVB:2021:1284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was sinds december 2011 ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten en ontving vanaf maart 2014 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, vastgesteld op 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 35%, waarop de uitkering werd beëindigd.
Appellante voerde bezwaar aan tegen deze beslissing en stelde dat haar beperkingen, mede door psychische aandoeningen zoals een matige depressieve stoornis en lichamelijke klachten zoals fibromyalgie, astma en slaapapneu, onvoldoende waren erkend. Zij verzocht tevens om benoeming van een onafhankelijke medisch deskundige.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bevestigden de eerdere beoordeling, waarbij rekening was gehouden met de combinatie van klachten en een urenbeperking van 30 uur per week was aangenomen. De rechtbanken verklaarden de beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel, stellende dat er geen medische grond is voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid of voor toegenomen beperkingen.
De Raad wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af en bevestigde de beëindiging van de WGA-uitkering. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WGA-uitkering van appellante heeft beëindigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.