ECLI:NL:CRVB:2021:1329

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2021
Publicatiedatum
4 juni 2021
Zaaknummer
19/4907 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.1 Wlz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag langdurige zorg wegens ontbreken blijvende behoefte 24-uurszorg

Appellant, geboren in 1976 en woonachtig in een gehuurde woning, vroeg langdurige zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees de aanvraag af omdat geen grondslag verstandelijke handicap kon worden vastgesteld en er geen blijvende behoefte aan 24 uur zorg in de nabijheid was.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat CIZ voldoende had gemotiveerd waarom geen recht op 24-uurszorg bestond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het bezwaaronderzoek onzorgvuldig was en dat wel sprake was van een verstandelijke handicap en noodzaak tot continu toezicht.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond geen aanleiding tot een ander oordeel, ook niet na beoordeling van een aanvullend rapport van Mediant. Het rapport bood geen aanwijzingen voor een verstandelijke handicap of 24-uurszorg. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag langdurige zorg bevestigd.

Uitspraak

19.4907 WLZ

Datum uitspraak: 2 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 oktober 2019, 19/386 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.M.J. Oosterhuis-Putter en vergezeld van [X] . CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren in 1976, bewoont een door hem gehuurde woning. Hij kreeg ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015): individuele begeleiding voor drie uur per week en dagbesteding op vier dagen per week bij zorgaanbieder Aveleijn. Appellant staat onder beschermingsbewind. Op 25 mei 2018 heeft appellant een aanvraag ingediend voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz).
1.2.
Bij besluit van 25 juni 2018 heeft CIZ de aanvraag afgewezen, omdat de grondslag verstandelijke handicap niet vastgesteld kan worden. Aan dit besluit ligt een rapport van medisch adviseur M. Bron van 21 juni 2018 ten grondslag.
1.3.
Bij besluit van 28 januari 2019 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 juni 2018 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt het advies van 21 juni 2018 en een advies van Zorginstituut Nederland van 28 januari 2019 ten grondslag. Beide adviezen leiden tot de conclusie dat, wat er zij van de grondslag, geen sprake is van een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat van een onzorgvuldig onderzoek in bezwaar niet is gebleken. De medisch adviseur in bezwaar heeft wel degelijk de overgelegde medische informatie bezien evenals het advies van Zorginstituut Nederland en heeft, naar aanleiding van dat advies, onderzocht of de grondslag zintuiglijke handicap aan de orde was. Verder heeft de rechtbank overwogen dat CIZ afdoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een blijvende behoefte aan 24 uur zorg in de nabijheid als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Wlz en dat CIZ reeds hierom appellant terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor zorg op grond van de Wlz.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek in bezwaar onzorgvuldig is geweest omdat de medisch adviseur niet kenbaar de in bezwaar ingebrachte nieuwe medische informatie heeft beoordeeld. Ook heeft ten onrechte geen onderzoek plaats gevonden naar een mogelijke zintuigelijke grondslag op auditief dan wel communicatief gebied. Verder heeft appellant aangevoerd dat wel degelijk sprake is van de grondslag verstandelijke handicap, omdat al vóór zijn achttiende jaar een verstandelijke beperking is vastgesteld. Ook is continu toezicht noodzakelijk in de privésfeer maar ook op het gebied van werk. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport ingediend van Mediant van 22 oktober 2019.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.
4.2.
De rechtbank is met juistheid tot de conclusie gekomen dat CIZ afdoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een blijvende behoefte aan 24 uur zorg in de nabijheid als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Wlz. Appellant heeft in hoger beroep herhaald wat hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij in hoger beroep een rapport van Mediant van 22 oktober 2019 overgelegd. In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, daarbij ook het genoemde rapport van Mediant betrekkend, heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Het rapport van Mediant, nog daargelaten dat de IQ-bepalingen niet zien op de situatie van voor het achttiende levensjaar, vermeldt niet dat sprake is van een grondslag verstandelijke handicap en biedt evenmin aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant aangewezen is op 24 uur zorg in de nabijheid.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2021.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) D. Al-Zubaidi