ECLI:NL:CRVB:2021:1352
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag plaatsing op hogere functie medewerker afdeling politie
Appellante, werkzaam als Assistent bij een politieteam in salarisschaal 5, vroeg op grond van de Regeling aanvraag plaatsing op een andere dan de ambtenaar opgedragen functie (RAAF) om plaatsing in de functie van medewerker in salarisschaal 6. Na haar sollicitatie werd zij per 1 februari 2018 in die functie geplaatst, maar de korpschef wees haar aanvraag op 6 maart 2019 af omdat haar feitelijke werkzaamheden niet in overwegende mate voldeden aan de niveaubepalende elementen van die functie.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat haar werkzaamheden wel aansloten bij de functie-eisen, maar de Raad stelde vast dat de toetsing van de feitelijke werkzaamheden een feitelijke beoordeling is en dat de korpschef terecht onderscheid maakte tussen de functies Assistent en Medewerker binnen het vakgebied.
De Raad concludeerde dat appellante haar werkzaamheden uitvoerde volgens gestandaardiseerde werkwijzen en nauwgezette richtlijnen, zonder dat sprake was van zelfstandige uitvoering over de volle breedte van het vakgebied. Ook de mogelijkheid tot overdracht aan collega’s uit andere vakgebieden veranderde dit niet. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag tot plaatsing in de hogere functie medewerker.