ECLI:NL:CRVB:2021:1367

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2021
Publicatiedatum
9 juni 2021
Zaaknummer
20/1291 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening studiefinanciering op basis van buurtonderzoek en woonsituatie

Appellante ontving studiefinanciering als uitwonende studente, terwijl zij volgens de minister als thuiswonende studente moest worden aangemerkt. De minister baseerde dit op een buurtonderzoek nadat meerdere pogingen tot huisbezoek op het BRP-adres waren mislukt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het buurtonderzoek voldoende was om aan te tonen dat zij niet op het BRP-adres woonde.

In hoger beroep betoogde appellante dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zij wel degelijk op het BRP-adres woonde. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, ook zonder huisbezoeken buiten kantooruren, en dat de verklaringen van de buren betrouwbaar waren. De Raad verwierp het tegenbewijs van appellante als onvoldoende.

De Raad benadrukte dat het feit dat de vrouw en het kind van de hoofdbewoner niet in de BRP stonden ingeschreven, niet betekent dat zij niet op het adres woonden. De verklaringen van de buren waren consistent en geloofwaardig. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van de studiefinanciering wordt bevestigd.

Uitspraak

20.1291 WSF

Datum uitspraak: 9 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 februari 2020, 19/4804 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Leest. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante staat sinds 13 maart 2018 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) onder het adres [adres] (BRP-adres). Zij heeft vanaf 1 juli 2018 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.
1.2.
In opdracht van de minister hebben een aantal controleurs onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe hebben zij op 9 mei 2019, 17 mei 2019 en, tweemaal, op 23 mei 2019 geprobeerd om een huisbezoek af te leggen op het BRP-adres om te controleren of appellante op dat adres woonde. Na aanbellen werd steeds niet opengedaan. Vervolgens hebben de controleurs op 23 mei 2019 een buurtonderzoek verricht. Daartoe hebben zij schriftelijke verklaringen opgenomen van de bewoners van de adressen [adressen] . Ten slotte is op 28 mei 2019 nogmaals vergeefs geprobeerd een huisbezoek af te leggen. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt. De door de bewoners van de drie adressen ondertekende verklaringen zijn bij het rapport gevoegd.
1.3.
Bij besluiten van 18 juni 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 oktober 2019 (bestreden besluit), heeft de minister op basis van het onder 1.2 vermelde buurtonderzoek, de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 juli 2018 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is de te veel betaalde studiefinanciering van haar teruggevorderd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de minister zich mag baseren op de resultaten van een buurtonderzoek als het niet mogelijk is om een huisbezoek af te leggen. Er is vier maal geprobeerd om een huisbezoek af te leggen. Volgens de rechtbank heeft de minister met de verklaringen van de buren aannemelijk gemaakt dat appellante op het moment van de controle niet op het BRP-adres woonde. De drie buren, waarvan er twee op dezelfde verdieping wonen, hebben onafhankelijk van elkaar verklaard en de inhoud van hun verklaringen is consistent en duidelijk. Zij hebben verklaard dat er een man, vrouw en hun kind op het adres wonen en dat er verder niemand woont. Onder deze omstandigheden was een nader onderzoek niet vereist. Het door appellante geleverde tegenbewijs is onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Uit de overgelegde poststukken blijkt slechts dat appellante het BRP-adres als postadres gebruikte. De door appellante overgelegde verklaringen van haar oom en een vriendin zijn te summier en worden niet ondersteund met objectief bewijs.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek. De minister heeft met enkel de verklaringen van de buren niet aannemelijk gemaakt dat appellante niet woonde op het BRP-adres en appellante heeft met de overgelegde stukken aangetoond dat zij wel woonde op het BRP-adres.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft wat in beroep is aangevoerd, en in hoger beroep is herhaald, in de aangevallen uitspraak besproken en gemotiveerd waarom die gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft op hoofdlijnen de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.
4.2.
Dat er in het onderhavige geval geen poging is gedaan om buiten kantooruren een huisbezoek af te leggen, maakt het onderzoek niet onzorgvuldig. De stukken bieden geen aanknopingspunt om ervan uit te gaan dat het voor de controleurs bij voorbaat duidelijk had moeten zijn dat de bewoners van het BRP-adres op de vijf, wisselende, tijdstippen waarop zij getracht hebben een huisbezoek af te leggen, in verband met werk en stage, niet thuis waren.
4.3.
De omstandigheid dat de vrouw en het kind van de hoofdbewoner ten tijde van het buurtonderzoek niet stonden ingeschreven onder het BRP-adres betekent niet dat zij, zoals appellante voor het eerst in hoger beroep heeft gesteld, op dat moment dus niet woonden op het BRP-adres. De drie buren hebben tegenover de controleurs eenduidig verklaard dat op het BRP-adres een gezin woont dat bestaat uit een man, vrouw en hun kind, dat zij deze bewoners kennen en zij elkaar spreken, dat de vrouw in de zorg werkt en dat er verder niemand woont. Appellante heeft deze verklaringen in bezwaar en beroep (ook) alleen betwist voor zover daarin gesteld is dat er buiten het gezin niemand woont. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat de buren haar niet kennen omdat ze niet veel thuis is. Daarmee is niet geloofwaardig dat de buren appellante mogelijk hebben aangezien voor de vrouw van de hoofdbewoner. Dat is te minder geloofwaardig omdat appellante niet in de zorg werkt.
4.4.
Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2021.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) B.H.B. Verheul