ECLI:NL:CRVB:2021:1448
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van laattijdige WIA-aanvraag en medische beperkingen door hartfalen
Appellant, werkzaam als manager van een uitzendbureau, diende ruim anderhalf jaar na de datum in geschil (27 mei 2014) een WIA-uitkering aan. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant volgens verzekeringsartsen geschikt was zijn eigen werk te verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen aanleiding bestond tot benoeming van een deskundige.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat hij al vóór 2015 ernstige hartklachten had, wat onvoldoende in de beoordeling was meegenomen. De Centrale Raad benoemde daarom een onafhankelijke cardioloog als deskundige. Deze deskundige stelde vast dat het niet mogelijk was om met zekerheid vast te stellen of appellant op 27 mei 2014 beperkingen door hartfalen had, mede door het tijdsverloop en het ontbreken van objectiveerbare gegevens uit die periode.
De Raad volgde de deskundige en oordeelde dat het risico van het niet kunnen vaststellen van de medische situatie door het late indienen van de aanvraag voor rekening van appellant komt. Er was geen reden om de bewijslast te verschuiven naar het UWV. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.