ECLI:NL:CRVB:2021:1489

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2021
Publicatiedatum
22 juni 2021
Zaaknummer
19/1645 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstand wegens niet-nakoming inlichtingenverplichting bij gokactiviteiten

Het college van burgemeester en wethouders van Heerlen heeft bij besluit van 13 september 2017, gehandhaafd bij besluit van 16 mei 2018, de bijstand van appellanten met ingang van 1 januari 2016 ingetrokken vanwege het niet melden van gokactiviteiten en ontvangen contante bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep voerden appellanten aan dat appellant een gokverslaving heeft en uiteindelijk openheid van zaken heeft gegeven, waardoor slechts kan worden verweten dat hij niet direct openheid gaf. De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat appellant zijn gokactiviteiten niet heeft geconcretiseerd of de omvang ervan onderbouwd, waardoor onduidelijk blijft wat de omvang van de gokactiviteiten en opbrengsten was.

De Raad oordeelt dat schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond vormt voor intrekking van de bijstand indien het recht daarop niet kan worden vastgesteld. Omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht op bijstand had, wordt het hoger beroep verworpen. De uitspraak is in het openbaar gedaan en de proceskosten worden niet toegewezen.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant zijn gokactiviteiten niet heeft geconcretiseerd, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

Uitspraak

19.1645 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 februari 2019, 18/1461 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
Datum uitspraak: 18 mei 2021
Zitting heeft: G.M.G. Hink
Griffier: R. de Haas
Partijen zijn ter zitting niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit van 13 september 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 mei 2018 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 januari 2016 ingetrokken. Het college heeft de bijstand ingetrokken op grond van – voor zover hier van belang – het volgende. Appellant heeft gokactiviteiten verricht, een bedrag van € 4.500,- contant ontvangen en van zijn zoon wisselende bedragen contant en via zijn bankrekening ontvangen. Tevens zijn op de en/of bankrekening van appellanten aanzienlijke bedragen gestort. Door van het voorgaande geen melding te maken, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het recht op bijstand kan daardoor niet worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat appellant een verslavingsprobleem heeft en dat hij uiteindelijk openheid van zaken heeft gegeven. Appellant kan om die reden slechts verweten worden dat hij niet direct openheid van zaken heeft gegeven.
4. Niet in geschil is dat appellant gokactiviteiten heeft verricht. Door hiervan geen melding te maken, hebben appellanten hun inlichtingenverplichting geschonden.
5. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre appellant verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
6. Appellant heeft zijn gokactiviteiten niet nader geconcretiseerd en de omvang ervan niet nader onderbouwd, zodat volstrekt onduidelijk is gebleven wat de omvang van zijn gokactiviteiten en zijn gokopbrengsten zijn geweest. Gelet alleen al daarom is het recht op bijstand van appellanten, anders dan hij heeft aangevoerd, niet vast te stellen.
7. Uit 3 tot en met 6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R. de Haas (getekend) G.M.G. Hink