ECLI:NL:CRVB:2021:1510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als keukenhulp en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde haar een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV haar beperkingen onvoldoende had meegewogen, waardoor het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep vooral een herhaling van eerdere gronden betrof en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had alle medische informatie betrokken en concludeerde dat appellante geschikt was voor heup- en rugsparend werk, wat werd bevestigd door de behandelend orthopedisch chirurg.
De Raad vond geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige en stelde vast dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsberekening was gebaseerd medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.