Uitspraak
20.2267 PW
29 mei 2020, 19/2974 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet na verhuizing, maar het college wees de aanvraag af en vorderde een eerder verstrekt voorschot terug. Dit omdat bij een politie-inval in zijn woning stoffen en voorwerpen werden aangetroffen die uitsluitend worden gebruikt voor de productie van synthetische drugs.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door deze activiteiten niet te melden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet de eigenaar was van de stoffen en dat het onmogelijk was met de aangetroffen stoffen drugs te maken, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De Raad stelde vast dat de aanwezigheid van de stoffen in de woning de veronderstelling rechtvaardigt dat appellant hiervan eigenaar was en dat de inkomsten uit de productie aan hem toekwamen. Door het ontbreken van objectieve en verifieerbare gegevens die dit tegenspreken, werd de veronderstelling niet weerlegd.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het college terecht de bijstand heeft geweigerd en het voorschot heeft teruggevorderd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen en het verstrekte voorschot wordt teruggevorderd vanwege niet gemelde activiteiten met stoffen voor drugsvorming.