ECLI:NL:CRVB:2021:17
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning loongerelateerde WGA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 77,19%
Appellant was beleidsmedewerker en viel op 7 september 2015 uit wegens psychische klachten. Het UWV kende hem per 4 september 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, berekend op 77,19% arbeidsongeschiktheid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat hij vanwege trillende handen niet geschikt zou zijn voor fijnmotorische werkzaamheden en dat latere medische verdenkingen zoals Ménière of een auto-immuun aandoening zijn beperkingen verklaren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen voldoende had gemotiveerd en dat geen aanleiding was tot nader onderzoek. In hoger beroep voerde appellant aan dat nieuwe medische stukken een zwaardere beperking rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat deze nieuwe medische informatie pas na de datum in geding is ontstaan en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend heeft gemotiveerd dat op de datum in geding voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. De verdenking op Ménière en andere aandoeningen verklaart de klachten niet en is niet relevant voor de beoordeling op die datum.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De loongerelateerde WGA-uitkering blijft gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 77,19%.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en toekenning WGA-uitkering bevestigd op basis van 77,19% arbeidsongeschiktheid.