ECLI:NL:CRVB:2021:1756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens ontbreken hoofdverblijf op BRP-adres
Appellante ontving studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) als uitwonende studente, ingeschreven op een BRP-adres. Na onderzoek door controleurs concludeerde de minister dat appellante haar hoofdverblijf niet op dat adres had, waarna de studiefinanciering werd herzien en teruggevorderd, en een bestuurlijke boete werd opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de verklaringen tijdens huisbezoeken en het ontbreken van bewijs van verblijf op het BRP-adres de minister rechtvaardigden in haar oordeel. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel een band met de woning had en dat de herziening en boete onevenredig waren, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de motieven van de rechtbank en voegde toe dat het feit dat appellante geen sleutel had, tijdelijk geen toegang had tot haar kamer, en geen contact met het wifi-netwerk kon maken, het ontbreken van hoofdverblijf bevestigt. Ook werd gewezen op het ontbreken van logische kennis van een brand op het BRP-adres.
De minister mocht de studiefinanciering herzien op grond van artikel 7.1 Wsf 2000 omdat de oorspronkelijke toekenning onjuist was. Het beleid om onjuiste beschikkingen altijd te herzien is niet onredelijk en er was geen aanleiding tot afwijking. De stelling van appellante dat de herziening en boete onevenredig zijn, faalde wegens gebrek aan onderbouwing.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van studiefinanciering en boete worden bevestigd.