ECLI:NL:CRVB:2021:1787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor babyuitzet wegens territorialiteitsbeginsel
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van een babyuitzet op grond van de Participatiewet nadat zijn echtgenote in Marokko was bevallen. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat de baby niet in Nederland woonde, wat volgens artikel 11 PW Pro uitsluiting van bijstand betekent. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het de bedoeling was dat zijn echtgenote en zoon spoedig naar Nederland zouden komen en dat zijn zoon de Nederlandse nationaliteit heeft. De Raad oordeelde echter dat het territorialiteitsbeginsel aan bijstandsverlening in de weg staat zolang de baby niet in Nederland verblijft. Ook het feit dat de zoon later in Nederland verbleef en was ingeschreven, maakte dit niet anders omdat dit na de besluitvorming was.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van het territorialiteitsbeginsel bij het verlenen van bijzondere bijstand en dat verblijf in Nederland een vereiste is.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de babyuitzet wordt bevestigd vanwege het territorialiteitsbeginsel.