ECLI:NL:CRVB:2021:1792

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2021
Publicatiedatum
25 juli 2021
Zaaknummer
18/6480 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.2 Wsf 2000Art. 6.8 Wsf 2000Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek draagkrachtmeting studieschuld wegens niet doorgegeven adreswijziging

Appellante, met de Belgische nationaliteit, heeft in Nederland studiefinanciering ontvangen waardoor een studieschuld is ontstaan. Zij verhuisde naar België zonder haar adreswijziging aan de minister door te geven, waardoor besluiten over haar schuld naar het laatst bekende Nederlandse adres werden gestuurd.

De minister stuurde in 2016 voor het eerst een betalingsverzoek naar het adres in België. Appellante stelde dat de schuld ten onrechte als achterstallig was aangemerkt en verzocht om een draagkrachtmeting op basis van haar inkomen, wat werd afgewezen omdat de wet geen draagkrachtmeting voor achterstallige termijnen toestaat.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad benadrukt dat appellante haar adreswijziging had moeten doorgeven en dat de minister niet verplicht is om actief debiteuren in het buitenland op te sporen. De afwijzing van het verzoek is niet evident onredelijk en het hoger beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van het verzoek tot draagkrachtmeting wordt bevestigd.

Uitspraak

18/6480 WSF
Datum uitspraak: 21 juli 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 november 2018, 18/3643 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (België) (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.A.C. Klein Hesselink, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2021. Voor appellante is mr. Klein Hesselink verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft de Belgische nationaliteit. Zij heeft in de periode 1999-2003 in Nederland gestudeerd en studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen in de vorm van een prestatiebeurs en een rentedragende lening. Daardoor is een studieschuld ontstaan.
1.2.
Bij besluit van 6 februari 2005 heeft de minister aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2006 maandelijks een bedrag van € 45,41 op haar studieschuld moet aflossen. Dit besluit is gestuurd naar het laatst bekende adres van appellante in Nederland. Naar datzelfde adres zijn ook in de jaren daarna, voor het laatst op 6 januari 2012, besluiten met betrekking tot de terugbetalingsverplichting naar appellante gestuurd.
1.3.
Bij besluit van 6 juni 2016 heeft de minister appellante met betrekking tot de terugbetalingsverplichting aangeschreven op – voor het eerst – haar adres in België.
1.4.
Op 10 juni 2016 heeft de minister aan appellante op dat adres een betalingsverzoek gestuurd voor haar achterstallige schuld, die op dat moment € 4.173,74 bedroeg.
1.5.
Bij brief van 15 november 2017 heeft appellante gesteld dat de schuld ten onrechte is aangemerkt als achterstallig omdat de minister haar niet tijdig heeft geprobeerd op te sporen in [woonplaats] . Zij heeft verzocht de achterstallige schuld aan te merken als reguliere schuld en aan de hand van haar inkomensgegevens de aflossingsverplichting op nihil vast te stellen.
1.6.
Bij besluit van 4 december 2017 heeft de minister dit verzoek afgewezen.
1.7.
Bij besluit van 13 april 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 december 2017 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier nog van belang, overwogen dat het verzoek van appellante, anders dan zij betoogt, niet kan worden gezien als herhaalde aanvraag. De uitspraken waarnaar zij heeft verwezen (ECLI:NL:CRVB:2015:1 en ECLI:NL:RVS:2016:3131) zijn op haar verzoek dan ook niet van toepassing. Het verzoek van appellante is door de minister terecht afgewezen omdat de Wsf 2000 niet voorziet in de mogelijkheid om een achterstallige schuld om te zetten in een reguliere schuld. Het blijft de verantwoordelijkheid van appellante om bij een studielening haar vertrek uit Nederland aan de minister door te geven. Op de minister rust geen verplichting om mogelijk uit Nederland vertrokken ex-studerenden op te sporen.
3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat op haar verzoek de door haar genoemde rechtspraak wel van toepassing is, omdat het een bestuursorgaan vrijstaat terug te komen van eerdere beslissingen, in haar geval die waarin de reguliere schuld is omgezet in een achterstallige schuld. De weigering om terug te komen van die beslissingen kan evident onredelijk zijn. Het verzuim van appellante heeft disproportionele gevolgen, mede gelet op de omstandigheid dat de minister haar met enige inspanning eerder had kunnen traceren. Haar verzoek had daarom moeten worden toegewezen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De Raad stelt voorop dat appellante, gelet op het bepaalde in artikel 9.2, derde lid, van de Wsf 2000, haar adreswijziging bij haar verhuizing naar België alsmede eventuele latere adreswijzigingen in België aan de minister had moeten doorgeven. De minister heeft van appellante geen adreswijziging(en) ontvangen en appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij deze wel heeft doorgegeven. Op de minister rust, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld en dus anders dan appellante heeft betoogd, geen plicht om bij niet-betalende debiteuren in het buitenland actief op zoek te gaan naar waar deze zich bevinden, ook niet na het ontstaan van een betalingsachterstand. Dat is niet anders als bekend is waar de debiteur voor zijn of haar komst naar Nederland woonde.
4.2.
De besluiten waarmee appellante telkens op de hoogte is gebracht van haar studieschuld en de daaraan verbonden betalingsverplichtingen zijn, bezien tegen de onder 4.1 geschetste achtergrond, met de verzending aan het laatst bekende adres van appellante in Nederland op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.
4.3.
Appellante beoogt met deze procedure dat de achterstallige schuld die tussen 2006 en 2016 is ontstaan omdat zij feitelijk van de onder 4.2 bedoelde besluiten geen kennis heeft genomen, wordt aangemerkt als een reguliere schuld. Zij heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de minister met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zou moeten terugkomen van de vaststellingen in het verleden van haar de maandelijkse betalingsverplichting. Feitelijk beoogt zij met haar verzoek dat zij na draagkrachtmeting, gelet op haar geringe inkomen over genoemde jaren, de schuld niet of slechts met geringe maandbedragen hoeft af te lossen, zodat een lagere restschuld overblijft.
4.4.
Uit artikel 6.8 van de Wsf 2000 volgt, voor zover hier van belang, dat schulden achterstallig zijn wanneer te betalen termijnbedragen twee weken na de vervaldatum nog niet zijn ontvangen. Zoals de minister in het bestreden besluit heeft vermeld is draagkrachtmeting slechts mogelijk voor termijnen die nog niet vervallen zijn. Ten tijde hier van belang gold dat draagkrachtmeting zonder een daartoe strekkend (tijdig ingediend) verzoek niet mogelijk is. Dat betekent dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van draagkrachtmeting in de situatie van appellante. De minister heeft het verzoek dan ook kunnen afwijzen. Voor toepassing van de hardheidsclausule hoefde de minister geen aanleiding te zien.
4.5.
Dat door het niet-nakomen van de verplichting haar adresgegevens door te geven een betalingsverplichting is ontstaan, die appellante anders – mogelijk – niet of tot een lager bedrag zou hebben gehad, betekent niet dat die betalingsverplichting als disproportioneel moet worden gekwalificeerd. In dit verband is van belang dat appellante niet uit eigen beweging heeft geïnformeerd naar haar betalingsverplichting terwijl zij wist of had kunnen weten dat zij die had. Verder is van betekenis dat een deel van de vordering is verjaard en de minister een traject van persoonsgericht innen hanteert. De afwijzing van het verzoek van appellante voor zover die haar basis zou vinden in artikel 4:6 van Pro de Awb kan de rechterlijke toetsing, zoals die is voorgeschreven in de uitspraken waarnaar appellante heeft verwezen, doorstaan. Wat appellante naar voren heeft gebracht maakt niet dat de afwijzing evident onredelijk is.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2021.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) B.H.B. Verheul