ECLI:NL:CRVB:2021:185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging wachttijd van 104 weken voor herziening WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant ontvangt sinds 2003 een WAO-uitkering, die in 2004 is herzien naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. In 2016 meldt appellant een verslechtering van zijn gezondheid, waarop het Uwv in 2017 besluit de uitkering niet binnen vier weken te herzien, maar een wachttijd van 104 weken toepast omdat de toename van arbeidsongeschiktheid niet binnen vijf jaar na de laatste herziening is ingetreden.
De rechtbank verklaart het beroep van appellant ongegrond en oordeelt dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen eerdere besluiten en dat de wachttijd van 104 weken terecht is toegepast. Appellant stelt in hoger beroep dat het Uwv onterecht geen nader onderzoek heeft uitgevoerd en verzoekt om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en het Uwv, verwijzend naar artikel 37 en Pro 39a van de WAO. De medische beoordeling van het Uwv wordt als voldoende gemotiveerd beschouwd en het verzoek om een onafhankelijke deskundige wordt afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de juistheid van de beoordeling. Inmiddels is de WAO-uitkering van appellant per 20 november 2018 verhoogd, na het verstrijken van de wachttijd. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de wachttijd van 104 weken voor herziening van de WAO-uitkering terecht is toegepast en wijst het hoger beroep af.