ECLI:NL:CRVB:2021:1851

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2021
Publicatiedatum
28 juli 2021
Zaaknummer
21/912 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Centrale Raad van Beroep bij hoger beroep tegen uitspraak voorzieningenrechter

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, waarbij een verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen hoger beroep mogelijk is tegen uitspraken van de voorzieningenrechter zoals bedoeld in artikel 8:84 Awb Pro.

De Raad erkende dat in uitzonderlijke gevallen, bij evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen of procesorde, een doorbreking van het appèlverbod mogelijk kan zijn. Echter, de aangevoerde gronden door appellante boden geen aanleiding tot een dergelijke doorbreking. De Raad onderschreef het oordeel van de voorzieningenrechter zoals weergegeven in diens uitspraak van 30 april 2021.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wees het zonder verdere inhoudelijke behandeling af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.C.R. Schut met griffier M. Zwart op 27 juli 2021.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Uitspraak

21.912 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 2 maart 2021, 21/585 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 27 juli 2021
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Car, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, waarbij met toepassing van artikel 8:84, eerste en tweede lid, van de Awb is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening van appellante.
De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 30 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:992, het door appellante ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende dit hoger beroep afgewezen.

OVERWEGINGEN

1. In artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld.
2. Voor kennisneming van een appèl in weerwil van de onder 1 genoemde bepaling kan grond bestaan, indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.
3. De Raad ziet in wat appellante naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat doorbreking van het appèlverbod gerechtvaardigd is. Het (voorlopige) oordeel van de voorzieningenrechter, zoals weergegeven in de hiervoor genoemde uitspraak van 30 april 2021 onder rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7, wordt onderschreven en tot de zijne gemaakt. Volstaan wordt in dit geval met verwijzing naar deze uitspraak.
4. Uit 1 tot en met 3 volgt dat de Raad kennelijk onbevoegd is om van het door appellante ingestelde hoger beroep kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna is aangegeven.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2021.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) M. Zwart
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.