ECLI:NL:CRVB:2021:1851
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Centrale Raad van Beroep bij hoger beroep tegen uitspraak voorzieningenrechter
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, waarbij een verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen hoger beroep mogelijk is tegen uitspraken van de voorzieningenrechter zoals bedoeld in artikel 8:84 Awb Pro.
De Raad erkende dat in uitzonderlijke gevallen, bij evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen of procesorde, een doorbreking van het appèlverbod mogelijk kan zijn. Echter, de aangevoerde gronden door appellante boden geen aanleiding tot een dergelijke doorbreking. De Raad onderschreef het oordeel van de voorzieningenrechter zoals weergegeven in diens uitspraak van 30 april 2021.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wees het zonder verdere inhoudelijke behandeling af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.C.R. Schut met griffier M. Zwart op 27 juli 2021.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter.