ECLI:NL:CRVB:2021:1890
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste ingangsdatum kinderbijslag op grond van Algemene Kinderbijslagwet
Appellant vroeg op 15 januari 2019 kinderbijslag aan voor zijn kind, dat sinds 25 september 2018 bij hem woonde. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende kinderbijslag toe vanaf het eerste kwartaal van 2018, rekening houdend met de onderhoudseis. Appellant maakte bezwaar tegen de beperkte terugwerkende kracht en wilde kinderbijslag met vijf jaar terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de wet sinds 1 januari 2016 bepaalt dat kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan één jaar voorafgaand aan het kwartaal van de aanvraag. Appellant voerde psychische klachten aan als bijzondere omstandigheden, maar de Raad oordeelde dat artikel 14, derde lid, van de AKW sinds 2016 geen ruimte biedt voor belangenafweging of toepassing van het evenredigheidsbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en stelde vast dat de Svb terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Er waren geen bijzondere omstandigheden die afwijking rechtvaardigen. Daarmee is de ingangsdatum van de kinderbijslag correct vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan één jaar voorafgaand aan het kwartaal van de aanvraag.