Uitspraak
19 2426 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een alleenstaande moeder met vier kinderen, ontvangt Belgische kinderbijslag voor haar twee jongste kinderen en Nederlandse gezinsbijslag voor drie minderjarige kinderen. Het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade heeft bijstand toegekend op grond van de Participatiewet, waarbij de inkomsten uit Belgische kinderbijslag boven de Nederlandse gezinsbijslag in mindering zijn gebracht.
Appellante voerde aan dat deze handelwijze in strijd is met Verordening (EG) Nr. 883/2004, die de coördinatie van socialezekerheidsstelsels regelt, en dat het college niet bevoegd is om de Belgische kinderbijslag gedeeltelijk in mindering te brengen op de bijstand. De Raad oordeelt dat kinderbijslag onder de materiële werkingssfeer van de Verordening valt, maar dat bijstand op grond van de Participatiewet sociale bijstand betreft en niet onder de Verordening valt.
De Belgische kinderbijslag kan niet worden aangemerkt als kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet en valt daarom niet onder de uitzonderingsbepaling van artikel 31, tweede lid, onder b, van de Participatiewet. Het college heeft het meerdere aan Belgische kinderbijslag ten opzichte van de Nederlandse gezinsbijslag terecht in mindering gebracht op de bijstand. Er is geen strijd met het gelijkheidsbeginsel, aangezien appellante niet anders wordt behandeld dan een Nederlandse onderdaan die alleen Nederlandse kinderbijslag ontvangt.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Tevens wijst de Raad het verzoek om schadevergoeding af wegens gebrek aan grondslag.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.