Uitspraak
20 897 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand als alleenstaande maar het college trok deze bijstand in per 1 september 2017 vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met X. Appellant stelde dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, een vereiste voor gezamenlijke huishouding volgens de Participatiewet.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond wegens onvoldoende onderzoek naar wederzijdse zorg, waarna het college een nieuw besluit nam en opnieuw de bijstand introk. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het hoger beroep en concludeerde dat appellant en X hun hoofdverblijf deelden en blijk gaven van wederzijdse zorg, onder meer door gezamenlijke huishoudelijke taken en zorg voor elkaar.
De Raad verwierp het verweer van appellant dat de zorg slechts incidenteel was en bevestigde dat de voorwaarden voor een gezamenlijke huishouding waren vervuld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.