ECLI:NL:CRVB:2021:2032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening beëindiging toeslag ouderdomspensioen echtgenote
Appellant had in maart 2010 een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Na een herziene beslissing in 2016 werd hem een pensioen toegekend van 2% van het maximale gehuwdenpensioen, inclusief een toeslag voor zijn echtgenote. Bij besluit van 9 juli 2019 werd deze toeslag beëindigd omdat de echtgenote de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. Appellant maakte hiertegen geen bezwaar, waardoor het besluit rechtens onaantastbaar werd.
Appellant verzocht op 1 oktober 2019 om terug te komen op dit besluit, maar dit verzoek werd bij besluiten van 29 oktober en 11 december 2019 afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het eerdere besluit niet onmiskenbaar onjuist was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij financieel niet rond kon komen en bovendien ziek was. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat de echtgenote korter dan één jaar verzekerd was geweest voor de AOW en dat sinds 1 april 2015 de voorwaarden zijn aangescherpt waardoor geen recht bestaat op een AOW-pensioen bij een verzekeringsduur van minder dan een kalenderjaar.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de toeslag op het ouderdomspensioen wordt bevestigd.