ECLI:NL:CRVB:2021:2266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant was werkzaam als boxmedewerker en meldde zich ziek vanwege klachten aan de rechterhand. Na een periode van arbeidsongeschiktheid werd een WGA-uitkering toegekend, die later werd beëindigd omdat appellant volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) onderschreef.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat, met name met betrekking tot repetitieve hand- en vingerbewegingen, en dat hij niet geschikt zou zijn voor de functie medewerker intern transport. De Raad nam de aanvullende rapporten van de arbeidsdeskundige en verzekeringsarts bezwaar en beroep in overweging, waarin werd toegelicht dat de beperkingen niet zodanig zijn dat appellant deze functie niet kan vervullen.
De Raad concludeerde dat het UWV op goede gronden de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld en de uitkering terecht heeft beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; beëindiging WGA-uitkering bevestigd.