Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:239

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 januari 2021
Publicatiedatum
4 februari 2021
Zaaknummer
19/4380 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PWArt. 16 PWZorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor medicinale cannabis wegens ontbreken zeer dringende redenen

Appellant, lijdend aan Multiple Sclerose, gebruikt medicinale cannabis ter bestrijding van pijnklachten. Het college heeft jarenlang bijzondere bijstand verleend voor deze kosten, maar na een nieuwe aanvraag in 2018 heeft het college besloten bijzondere bijstand slechts toe te kennen als overgangsperiode en daarna te stoppen met vergoeding.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het college, waarbij artikel 15 van Pro de Participatiewet aan bijstandverlening in de weg staat omdat de Zorgverzekeringswet een voorliggende voorziening is. Artikel 16 van Pro de Participatiewet biedt een uitzondering bij zeer dringende redenen, maar appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn situatie aan deze criteria voldoet.

Hoewel appellant ernstige pijn ervaart en medicinale cannabis als noodzakelijk beschouwt, ontbreekt een medische onderbouwing dat zijn situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit veroorzaakt. De rechtbank en de Centrale Raad oordelen dat de pijn niet leidt tot een acute noodsituatie die bijzondere bijstand onvermijdelijk maakt.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen verdere bijzondere bijstand te verlenen na de overgangsperiode. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen verdere bijzondere bijstand voor medicinale cannabis te verlenen.

Uitspraak

19.4380 PW-PV

Datum uitspraak: 26 januari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 oktober 2019, 19/5589 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)
Zitting heeft: M. Hillen, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: T. Ali
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.H.W. Spoelstra. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Appellant lijdt aan Multiple Sclerose en gebruikt al jaren medicinale cannabis ter bestrijding van zijn pijnklachten. Aanvankelijk ging het om 56 gram per vier weken, maar gedurende de jaren is het gebruik opgelopen naar 130 gram per vier weken. Deze kosten zijn de afgelopen jaren volledig door het college vergoed door middel van de verlening van bijzondere bijstand. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van appellant op 30 juli 2018 heeft het college de GGD gevraagd om te adviseren. Op 5 november 2018 heeft de GGD een advies uitgebracht.
Bij besluit van 6 maart 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van medicinale cannabis toegekend voor de periode van 1 september 2018 tot en met
31 augustus 2019, met dien verstande dat met ingang van 1 april 2019 maximaal 60 gram medicinale cannabis per vier weken wordt vergoed. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat artikel 15 van Pro de Participatiewet (PW) in dit geval aan bijstandverlening in de weg staat, aangezien de Zorgverzekeringswet een voorliggende voorziening is. Gelet op het door het door de GGD uitgebrachte advies is niet gebleken van zeer dringende redenen die noodzaken om in afwijking daarvan bijzondere bijstand te verlenen aan appellant. De toekenning van bijzondere bijstand over de periode van
1 september 2018 tot en met 31 augustus 2019 dient als overgangsperiode. De intentie van het college is om vanaf 1 september 2019 geen bijzondere bijstand meer toe te kennen aan appellant.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Niet in geschil is dat artikel 15 van Pro de PW in dit geval aan bijstandverlening in de weg staat. Artikel 16, eerste lid, van de PW biedt de mogelijkheid om alsnog bijzondere bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Hiervan is sprake als een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Daarbij dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en
dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.
Het ligt in beginsel op de weg van degene die een beroep doet op zeer dringende redenen in de zin van artikel 16 van Pro de PW om aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk te maken dat sprake is van een acute noodsituatie in bovenvermelde zin.
Appellant heeft aangevoerd dat de omstandigheid dat hij onafgebroken pijn lijdt, die alleen met het gebruik van cannabis dragelijk is, een zeer dringende reden is die tot verlening van bijzondere bijstand noopt. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij verwezen naar de brief van 11 december 2019 van zijn neuroloog. Volgens de neuroloog is medicinale cannabis een goede optie bij refractaire (centrale) neuropathische pijn. Ervan uitgaande dat andere neuropathische pijnstillers onvoldoende hebben geholpen tijdens zijn behandelperiode bij de vorige neuroloog lijkt hem de indicatie volledig terecht. Het uitblijven van deze behandeling zal niet leiden tot een levensbedreigende situatie, maar kan zijns inziens significante psychische gevolgen hebben.
Appellant heeft duidelijk voor het voetlicht gebracht dat hij veel last heeft van de gevolgen van zijn aandoening. Hij is echter niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Een medische onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een situatie van levensbedreigende aard of van een situatie die blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben, ontbreekt. Dat de situatie van appellant niet levensbedreigend is, is niet in geschil. De situatie van appellant is weliswaar voor hem zeer zwaar vanwege de pijn, maar niet zodanig dat moet worden aangenomen dat die blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Alleen al daarom heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de situatie van appellant geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW voortvloeit.
Uit voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding bestaat.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) T. Ali (getekend) M. Hillen