ECLI:NL:CRVB:2021:239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor medicinale cannabis wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant, lijdend aan Multiple Sclerose, gebruikt medicinale cannabis ter bestrijding van pijnklachten. Het college heeft jarenlang bijzondere bijstand verleend voor deze kosten, maar na een nieuwe aanvraag in 2018 heeft het college besloten bijzondere bijstand slechts toe te kennen als overgangsperiode en daarna te stoppen met vergoeding.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het college, waarbij artikel 15 van Pro de Participatiewet aan bijstandverlening in de weg staat omdat de Zorgverzekeringswet een voorliggende voorziening is. Artikel 16 van Pro de Participatiewet biedt een uitzondering bij zeer dringende redenen, maar appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn situatie aan deze criteria voldoet.
Hoewel appellant ernstige pijn ervaart en medicinale cannabis als noodzakelijk beschouwt, ontbreekt een medische onderbouwing dat zijn situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit veroorzaakt. De rechtbank en de Centrale Raad oordelen dat de pijn niet leidt tot een acute noodsituatie die bijzondere bijstand onvermijdelijk maakt.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen verdere bijzondere bijstand te verlenen na de overgangsperiode. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen verdere bijzondere bijstand voor medicinale cannabis te verlenen.