Uitspraak
20 2671 PW, 20/2672
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een Ziektewetuitkering tot juli 2018 en vroeg aansluitend bijstand aan per september 2018. Het college kende bijstand toe vanaf de meldingsdatum en wees een aanvraag voor individuele inkomenstoeslag af omdat appellant niet voldeed aan de eis van langdurig laag inkomen.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond, stellende dat geen bijzondere omstandigheden bestonden voor bijstand met terugwerkende kracht. Ook werd vastgesteld dat appellant in een deel van de referteperiode een hoger inkomen had dan de bijstandsnorm.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn buitenlandse afkomst, taalbarrière en psychische klachten hem belemmerden tijdig bijstand aan te vragen en dat hij recht had op inkomenstoeslag. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat deze omstandigheden geen bijzondere gronden vormen voor terugwerkende bijstand en dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor de toeslag.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend en wijst de aanvraag voor individuele inkomenstoeslag af.