ECLI:NL:CRVB:2021:2478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken ingezetenschap op zeventiende verjaardag
Appellant heeft een laattijdige aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij op zijn achttiende verjaardag in Nederland woonde. Bij bezwaar handhaafde het UWV dit besluit. De rechtbank vernietigde het besluit wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij op zijn zeventiende verjaardag in Nederland woonachtig was.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij een duurzame persoonlijke band met Nederland had en al arbeidsongeschikt was op zijn zeventiende verjaardag. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van toepassing zijn en dat appellant geen objectieve en verifieerbare gegevens had overgelegd die zijn ingezetenschap op zijn zeventiende verjaardag aantonen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van bewijs van ingezetenschap op de zeventiende verjaardag.