Uitspraak
19 4986 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag € 748,-;
- bepaalt dat van het college een griffierecht van € 519,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving bijstand als alleenstaande, maar het college trok deze bijstand in vanaf 1 oktober 2018 omdat werd aangenomen dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner. Uit onderzoek en verklaringen bleek wel dat betrokkene en haar ex-partner hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, maar onvoldoende bewijs voor wederzijdse zorg.
De Raad oordeelde dat de zorgrelatie niet van voldoende gewicht was om te spreken van een gezamenlijke huishouding. Kleine handelingen zoals samen eten, samen naar verjaardagen gaan, of het meenemen van wasgoed zijn sociale activiteiten en geen bewijs van wederzijdse zorg. Financiële verstrengeling ontbrak eveneens.
De rechtbank had het besluit van het college vernietigd en de Raad bevestigde deze uitspraak. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en moest griffierecht betalen. De bijstand was ten onrechte ingetrokken en teruggevorderd.
Uitkomst: De bijstand is ten onrechte ingetrokken en teruggevorderd omdat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.