Uitspraak
18 6555 WAJONG
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds 2013 een Wajong-uitkering van 75% van het minimumloon vanwege psychische en lichamelijke beperkingen. Het UWV heeft in 2017 vastgesteld dat zij arbeidsvermogen heeft, waardoor de uitkering per 2018 werd verlaagd naar 70%. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij duurzaam volledig arbeidsongeschikt is vanwege ziekte van Crohn, PTSS en cognitieve problemen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende concreet en deugdelijk had gemotiveerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. De Raad volgde dit oordeel en voegde toe dat de medische beoordeling van het UWV, mede gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, toereikend is. Het standpunt van appellante dat alleen een internist haar situatie kan beoordelen, werd verworpen.
Appellante stelde dat behandeling bij een instelling onmogelijk is vanwege haar beperkingen en het openbaar vervoer, maar de Raad achtte dit onvoldoende onderbouwd en volgde het UWV dat alternatieve vervoersmogelijkheden beschikbaar zijn. Ook de stelling dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, werd niet gevolgd. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de procedure binnen de vierjaarstermijn bleef.
De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering van 75% naar 70% wordt bevestigd omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.