ECLI:NL:CRVB:2021:262
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door bestuursorgaan
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Tijdens de procedure heeft het college het bestreden besluit op 16 juli 2020 ingetrokken, waarmee het volledig aan de bezwaren van appellant tegemoetkwam.
Naar aanleiding van de intrekking heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding. Het college heeft geen verweerschrift ingediend, en de Raad heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 8:75a Awb en artikel 8:108 Awb Pro het bestuursorgaan bij intrekking van het beroep op verzoek kan worden veroordeeld in de proceskosten. De Raad veroordeelt het college in de proceskosten van appellant, begroot op € 2.136,-, bestaande uit forfaitaire vergoedingen voor het verzoek om voorlopige voorziening, het beroep en het hoger beroep.
Vergoeding van eigen bijdragen en griffierecht is niet toegekend; appellant kan zich voor griffierecht rechtstreeks tot het college wenden. De uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut op 9 februari 2021.
Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant van € 2.136,-.