ECLI:NL:CRVB:2021:2625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 43,74% door UWV
Appellante, voormalig verpleegkundige, kreeg een WGA-uitkering toegekend vanwege arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid na herbeoordelingen vast op respectievelijk 45,13% en later 43,74%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en vernietigde het tweede besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.
Appellante stelde in hoger beroep dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat de geduide functies ongeschikt waren vanwege het frequent moeten wisselen van bril. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende onderbouwd waren en dat de klachtenbrieven geen nieuwe medische informatie bevatten die aanleiding gaf tot een hogere mate van beperkingen.
De Raad verwierp ook het bezwaar over de ongeschiktheid van de functies, omdat het wisselen van bril niet in die mate noodzakelijk was en multifocale brillenglazen mogelijk zijn. De rechtbank had ten onrechte het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar aangezien de rechtsgevolgen in stand waren gelaten en appellante geen nadere klachten had, was er geen reden tot vernietiging van de uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 43,74%.