Appellante ontving sinds 2009 een WIA-uitkering, die door het UWV per 1 september 2014 werd herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 45-55% en per 27 januari 2015 beëindigd vanwege geschiktheid voor haar maatgevende arbeid. Appellante stelde dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar beperkingen en dat de maatgevende arbeid niet passend was. De Raad volgde een door hem benoemde deskundige die stelde dat appellante meer beperkt was dan door het UWV aangenomen, waardoor de herziening per 1 september 2014 niet stand kon houden.
Na nader medisch en arbeidskundig onderzoek concludeerde de Raad dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de beperkingen van appellante en dat de maatgevende arbeid passend was. De Raad vernietigde daarom het besluit tot herziening per 1 september 2014 en herroept het eerdere besluit, waardoor de uitkering ongewijzigd wordt voortgezet. De beëindiging van de uitkering per 27 januari 2015 werd echter bevestigd omdat appellante per die datum geschikt was voor haar maatgevende arbeid.
Verder oordeelde de Raad dat de procedure onnodig lang heeft geduurd, waardoor een schadevergoeding van in totaal €3.500,- werd toegekend, waarvan €1.625,- voor rekening van het UWV en €875,- voor de Staat. Ook werden proceskosten aan appellante toegekend. De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WGA-vervolguitkering heeft beëindigd vanwege geschiktheid voor de maatgevende arbeid.