ECLI:NL:CRVB:2021:2750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderbijslag voor in Marokko wonende kinderen op grond van AKW en NMV
Appellant, die sinds 1986 in Nederland woont en verzekerd is voor de volksverzekeringen, vroeg kinderbijslag aan voor zijn in Marokko wonende kinderen. De Sociale Verzekeringsbank wees dit af op grond van artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), omdat de kinderen niet in Nederland wonen en appellant niet onder de personele werkingssfeer van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko (NMV) valt.
Appellant stelde dat hij gelijkgesteld moest worden met een werknemer en dat de beperking van de personele werkingssfeer van het NMV discriminerend was. De Raad overwoog dat appellant nooit in loondienst heeft gewerkt en dat het NMV alleen van toepassing is op werknemers of met hen gelijkgestelden, waarbij gelijkgestelden vooral personen zijn die een uitkering ontvangen die samenhangt met de hoedanigheid van werknemer.
De Raad verwierp de stelling van appellant dat hij gelijkgesteld moet worden met een werknemer en oordeelde dat het onderscheid in het NMV niet in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De rechtbank had het beroep terecht ongegrond verklaard en de Raad bevestigde deze uitspraak. Er is geen sprake van schending van het recht op kinderbijslag of ontneming van eigendom.
Uitkomst: De afwijzing van kinderbijslag voor de in Marokko wonende kinderen wordt bevestigd omdat appellant niet onder de personele werkingssfeer van het NMV valt.