Uitspraak
19.4564 ANW, 20/2241 ANW
OVERWEGINGEN
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 mei 2020 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die een nabestaandenuitkering ontving na het overlijden van haar echtgenoot, werd door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) vanaf mei 2018 geen recht meer toegekend omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 45%. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege een motiveringsgebrek over de beperking in handelingstempo, waarna de Svb een nieuw besluit nam waarin dit punt nader werd toegelicht.
In hoger beroep betwistte appellante de beëindiging van de uitkering en stelde dat haar gezondheidssituatie niet was veranderd en dat een urenbeperking nog steeds noodzakelijk was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten van het UWV overtuigend aantonen dat een urenbeperking niet langer nodig is en dat de beperkingen in het dagelijks functioneren adequaat zijn beoordeeld.
Verder werd geoordeeld dat er geen sprake is van een herroeping in de zin van artikel 7:15, tweede lid, Awb, zodat appellante geen recht heeft op vergoeding van kosten van rechtsbijstand in bezwaar. Ook is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten in hoger beroep, nu het nieuwe besluit het eerdere motiveringsgebrek herstelt.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en verklaart het beroep ongegrond, waarmee de beëindiging van de nabestaandenuitkering rechtsgeldig blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid.