ECLI:NL:CRVB:2021:281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen
Appellant ontvangt sinds november 2015 bijstand en had budgetbeheer via de kredietbank. Uit bankafschriften bleek dat in 2017 en 2018 meerdere stortingen en bijschrijvingen plaatsvonden op zijn leefgeldrekening, waarvan appellant verklaarde dat het leefgeld en terugontvangen borgsommen betrof.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag de bijstand en vorderde €2.218,26 terug wegens niet gemelde inkomsten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de stortingen en bijschrijvingen als inkomen gelden en appellant onvoldoende bewijs leverde voor zijn stellingen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de bijschrijvingen terugbetalingen van borgsommen waren en dat hij in een schuldhulpverleningstraject zat dat door terugvordering zou worden beëindigd, wat onaanvaardbare gevolgen zou hebben.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de bijschrijvingen daadwerkelijk borgsommen betroffen, mede omdat facturen onduidelijk waren en niet op zijn naam stonden. Ook was het niet aannemelijk dat het schuldhulpverleningstraject zou stoppen of dat dit een dringende reden tot kwijtschelding vormde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen.