Appellant, werkzaam bij de politie, solliciteerde in 2018 en 2019 naar de functie van docent C bij de Politieacademie maar werd afgewezen vanwege het ontbreken van een afgeronde WO-masteropleiding. De bezwaren tegen deze besluiten werden gegrond verklaard door de korpschef wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid, waarbij werd vastgesteld dat een hbo-opleiding volstaat.
Na een gesprek op 31 juli 2019 tussen appellant en het sectorhoofd van de Politieacademie, waarin werd bevestigd dat een masterdiploma geen harde eis is, werd appellant uitgenodigd om te solliciteren op openstaande vacatures. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, maar de Raad oordeelt anders en vernietigt deze uitspraak.
De Raad stelt vast dat de vacature ten tijde van het besluit niet openstond en dat appellant's functiegeschiktheid niet was beoordeeld. De geboden handreikingen en uitnodigingen tot sollicitatie zijn voldoende om aan de gegrondverklaring van de bezwaren te voldoen. Het beroep wordt inhoudelijk ongegrond verklaard. De korpschef wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.