ECLI:NL:CRVB:2021:2907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding inkomsten uit drugshandel
Appellant ontving vanaf januari 2015 bijstand op grond van de Participatiewet. Hij werd in augustus 2018 veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf wegens handel in hennep en hasjiesj en het niet melden van deze inkomsten aan het college. Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek stelde een sociaal rechercheur een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand.
Het college trok de bijstand in over de periode juni 2015 tot maart 2017 en vorderde de betaalde bijstand van €19.751,10 terug omdat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de terugvordering gebaseerd was op onvoldoende concrete getuigenverklaringen en dat het bedrag niet overeenkwam met het in het strafvonnis vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van €8.150.
De Raad oordeelde dat het college voldoende feitelijke grondslag had voor de intrekking en terugvordering. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij recht had op bijstand over de betreffende periode, mede omdat hij geen verifieerbare gegevens over zijn inkomsten kon overleggen. De Raad benadrukte dat de bestuursrechter niet gebonden is aan het strafrechtelijke oordeel over het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet melden van inkomsten uit drugshandel.