Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:2964

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2021
Publicatiedatum
1 december 2021
Zaaknummer
19/4064 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking boetebesluit door gemeente Rotterdam

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een boetebesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam. Het college heeft het boetebesluit op 24 maart 2021 ingetrokken, waarmee het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant.

Naar aanleiding hiervan heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om veroordeling van het college in de proceskosten. Het college heeft geen verweerschrift ingediend en het onderzoek ter zitting is achterwege gelaten.

De Centrale Raad van Beroep heeft op basis van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht geoordeeld dat het college in de proceskosten moet worden veroordeeld. De proceskosten zijn begroot op €1.496,- in beroep en €748,- in hoger beroep, totaal €2.244,-. Appellant kan het betaalde griffierecht rechtstreeks bij het college verhalen.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wordt veroordeeld tot betaling van €2.244,- aan proceskosten aan appellant.

Uitspraak

Datum uitspraak: 30 november 2021
19/4064 PW, 19/4065 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
9 augustus 2019, 19/1141 en 19/1848 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft op 24 maart 2021 het bestreden boetebesluit ingetrokken.
Bij brief van 4 juni 2021 heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het college met het intrekken van het boetebesluit op 24 maart 2021 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.496,- in beroep en € 748,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het college wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.244,-.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van D. van der Boom als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2021.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) D. van der Boom