ECLI:NL:CRVB:2021:2992
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid onder Wet WIA
Appellant was sinds 31 oktober 2013 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten en ontving aanvankelijk geen WGA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na een melding van verslechtering in 2018 stelde het UWV een arbeidsongeschiktheid van 68,14% vast, gebaseerd op een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige rapporten.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de functionele mogelijkheden correct waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer vanwege het ontbreken van persoonlijk overleg tussen verzekeringsarts en bedrijfsarts, onvoldoende inzicht in luchtwegproblematiek en medicatiegebruik, en ongeschikte functies.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het ontbreken van persoonlijk overleg geen reden tot twijfel gaf en dat de verzekeringsarts adequaat onderzoek had verricht, inclusief psychische aspecten. De arbeidsdeskundige had overtuigend aangetoond dat de geselecteerde functies passend waren. Appellant bracht geen nieuwe medische gegevens aan. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellant correct heeft vastgesteld op 68,14%.