ECLI:NL:CRVB:2021:300

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2021
Publicatiedatum
16 februari 2021
Zaaknummer
20/1868 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 PWArt. 4.8 Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijzondere bijstand om niet wegens niet voldoen aan schuldhulpverleningstraject

Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor inrichtingskosten. Het college verleende deze bijstand in de vorm van een geldlening, niet om niet, omdat appellant niet voldeed aan de beleidsregels die dat voorschrijven bij deelname aan een wettelijk schuldhulpverleningstraject.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college terecht de bijstand als lening verstrekte, aangezien het schulddienstverleningstraject niet in gevaar was en artikel 4.8 van de beleidsregels niet van toepassing was. Appellant voerde aan dat hij de lening niet binnen een redelijke termijn kon aflossen en dat dit onredelijk was, maar de rechtbank vond geen aanleiding dit te erkennen.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar de Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat het college terecht geen bijzondere bijstand om niet heeft verstrekt. Het schulddienstverleningstraject loopt nog steeds en de lening brengt dat niet in gevaar. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijzondere bijstand om niet en handhaaft de verstrekking in de vorm van een geldlening.

Uitspraak

20 1868 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 16 februari 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
10 april 2020, 19/5691 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. El Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 16 juli 2018 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 9 januari 2019 heeft het college appellant schulddienstverlening verleend in de vorm van budgetbeheer door de Kredietbank Rotterdam (KBR). Vanaf 25 juli 2019 huurt appellant een zelfstandige woning.
1.2.
Op 25 juli 2019 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor onder andere inrichtingskosten.
1.3.
Bij besluit van 1 augustus 2019, voor zover hier van belang en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 oktober 2019 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant bijzondere bijstand verleend voor inrichtingskosten tot een bedrag van € 1.516,14 in de vorm van een geldlening.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college overeenkomstig de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019 (Beleidsregels) de bijzondere bijstand heeft verleend in de vorm van een geldlening. Anders dan appellant heeft gesteld, is niet gebleken dat het verlenen van de bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening de positie van appellant in gevaar brengt. Er is geen sprake van een wettelijk schuldhulpverleningstraject, maar van een aanbod van de KBR van budgetbeheer, zodat artikel 4.8 van de Beleidsregels niet van toepassing is. Van een onredelijke toepassing van de bepaling kan daarom geen sprake zijn. De rechtbank ziet in de gronden van appellant voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de lening voor hem onevenredige gevolgen heeft. Appellant stelt dat hij de lening niet binnen een redelijke termijn kan afbetalen en verwijst naar vaste rechtspraak met betrekking tot het onderwerp bijstandsboete. Daargelaten dat deze rechtspraak niet ziet op geldleningen in het kader van bijzondere bijstand, is de rechtbank niet gebleken dat het college tot invordering heeft besloten. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op artikel 51, tweede lid, van de PW op grond waarvan het college de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat het college ten onrechte de bijzondere bijstand niet op grond van artikel 4.9 (lees: 4.8), zesde lid, van de Beleidsregels om niet heeft verleend. Voorts heeft appellant opnieuw aangevoerd dat verstrekking in de vorm van een geldlening onredelijk is omdat appellant het bedrag niet binnen een redelijke termijn kan terugbetalen en de geldlening er toe leidt dat appellant langdurig op een sociaal minimum moet leven.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormen in essentie een herhaling van wat hij reeds in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen reden aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.2.
Artikel 4.8. zesde lid, van de Beleidsregels bepaalt dat in afwijking van het vijfde lid het college de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten om niet kan verstrekken indien de belanghebbende, die is toegelaten tot het wettelijk schuldhulpverleningstraject, voldoet aan de voorwaarden van dat traject en het verstrekken van bijzondere bijstand in de vorm van een lening het slagen van het traject in gevaar brengt. Het college heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep onweersproken gesteld dat het schulddienstverleningstraject door de KBR aan appellant tot op de dag van heden is voortgezet. Gelet hierop wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat het slagen van dit traject door de verstrekking van leenbijstand in gevaar is gebracht. Alleen al hierom heeft het college terecht geen toepassing gegeven aan artikel 4.8, zesde lid, van de Beleidsregels.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van N. Khachatryan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2021.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) N. Khachatryan
lh