ECLI:NL:CRVB:2021:3007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als chauffeur, vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid na ziekmelding met diverse klachten. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij geen aanleiding bestond tot aanvullend onderzoek of het benoemen van een deskundige.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren over de diepgang van het medisch onderzoek en het ontbreken van informatie van de behandelend sector. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende had geconcretiseerd waarom het onderzoek onvoldoende zou zijn en dat de medische beoordeling juist en zorgvuldig was. Er was geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen of een deskundige te benoemen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd bleef. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.