ECLI:NL:CRVB:2021:3043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding bij toekenning gehuwdenpensioen AOW
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep van appellant tegen de Sociale Verzekeringsbank (Svb) inzake de toekenning van een ouderdomspensioen volgens de norm voor gehuwden. De Svb had vastgesteld dat appellant en X een gezamenlijke huishouding voeren, wat door de rechtbank Amsterdam werd bevestigd. Appellant voerde aan dat hij slechts kostganger was en dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Uit de gedingstukken bleek dat appellant geen kostgeld betaalde, terwijl X de huur en overige woonkosten betaalde. Er was sprake van wederzijdse zorg die verder ging dan een zakelijke huur- of kostgangersrelatie. Appellant en X ondersteunden elkaar, bijvoorbeeld door het verzorgen van de volkstuin, klusjes in de woning, gebruik van telefoon en wifi, en het samen bezoeken van familie. De Raad oordeelde dat de zorg niet van gelijke intensiteit hoeft te zijn om van een gezamenlijke huishouding te spreken.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van het gehuwdenpensioen op basis van gezamenlijke huishouding bevestigd.