Uitspraak
20 421 WIA
:9 december 2021
Centrale Raad van Beroep
Appellante, sinds 2004 arbeidsongeschikt door psychische klachten, ontving een WIA-uitkering die in 2018 werd herbeoordeeld. Uit medisch onderzoek en rapporten, waaronder van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, bleek dat appellante niet langer volledig arbeidsongeschikt was en dat er benutbare mogelijkheden waren ondanks haar beperkingen.
Het UWV beëindigde daarom de WIA-uitkering per 26 juni 2019. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar ernstige psychiatrische aandoeningen en zwakbegaafdheid een onvermogen tot functioneren op alle niveaus veroorzaakten en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen juist en voldoende had vastgesteld en dat er geen sprake was van een onvermogen tot functioneren op drie niveaus zoals vereist. Ook waren de geselecteerde functies medisch geschikt. De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van de uitkering en verwierp het hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 26 juni 2019 wegens onvoldoende medische grond voor volledige arbeidsongeschiktheid.