ECLI:NL:CRVB:2021:3115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en proceskostenvergoeding in WIA-uitkering
Appellante was sinds 2004 ziek gemeld en ontving een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Na een herbeoordeling in 2018 stelde het UWV dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, waarbij de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de beperkingen onderschat waren en dat het bestreden besluit onvoldoende arbeidskundig was onderbouwd. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen niet waren onderschat en dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende waren gemotiveerd. Wel oordeelde de Raad dat het bestreden besluit pas in beroep toereikend was onderbouwd, waardoor het besluit niet deugdelijk gemotiveerd was volgens artikel 7:12 Awb Pro.
De Raad stelde vast dat dit gebrek door de rechtbank had moeten worden gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat belanghebbenden niet benadeeld werden en het besluit dezelfde uitkomst zou hebben gehad. De rechtbank had het UWV moeten veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante, wat zij niet had gedaan. De Centrale Raad van Beroep vernietigde dit onderdeel van de uitspraak en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten. Voor het overige werd de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Bevestiging van de arbeidsongeschiktheidsvaststelling en veroordeling van het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.