ECLI:NL:CRVB:2021:3118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting bezoldiging en gedeeltelijke schadevergoeding na dienstongeval nekklachten
Appellant was sinds 1986 werkzaam bij de gemeente Rotterdam en raakte op 2 november 2015 tijdens het werk aangereden door een dienstvoertuig, waarbij hij nekklachten opliep. Het college erkende het ongeval als dienstongeval, maar weigerde aansprakelijkheid voor de klachten vanaf 30 juni 2017 en kortte de bezoldiging vanaf februari 2018 vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid.
Appellant stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid per 30 juni 2017 en de daaropvolgende klachten het gevolg waren van het dienstongeval en dat de korting onterecht was. Tevens vorderde hij vergoeding van materiële en immateriële schade na 18 maart 2016. Zowel de rechtbank Rotterdam als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het causaal verband tussen het ongeval en de klachten na 18 maart 2016 niet aannemelijk is.
De medische informatie toonde aan dat appellant reeds sinds 2013 degeneratieve afwijkingen aan de halswervelkolom had en dat de klachten na het ongeval niet duidelijk verschilden van de eerdere situatie. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de korting op de bezoldiging terecht is en dat de schadevergoeding slechts toekomt voor de periode tot 18 maart 2016.
Het hoger beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting op de bezoldiging en wijst het hoger beroep tegen de gedeeltelijke schadevergoeding af wegens onvoldoende causaal verband met het dienstongeval.