ECLI:NL:CRVB:2021:3163
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet sinds 1 juli 2018. Na een rechtmatigheidsonderzoek constateerde de gemeente Zaanstad dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte voor een klusbedrijf, waaronder het vervoeren van mensen en het uitladen van materialen, zonder dit te melden. Het college trok de bijstand met ingang van 1 juni 2019 in en vorderde de kosten over juni 2019 terug.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten dat er sprake was van werkzaamheden die een vergoeding rechtvaardigen en voerden zij aan dat het vervoeren van mensen een vriendendienst was. De Raad oordeelde dat deze werkzaamheden normaal gesproken een beloning rechtvaardigen en dat ook andere werkzaamheden waren waargenomen.
Appellanten maakten niet aannemelijk dat zij recht op bijstand hadden gehad als zij de inlichtingenverplichting niet hadden geschonden. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd omdat appellanten de inlichtingenverplichting schonden door niet gemelde werkzaamheden.