ECLI:NL:CRVB:2021:3199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was werkzaam als medewerker thuiszorg en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar een WGA-loonaanvullingsuitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast en een arbeidsdeskundige selecteerde passende functies waarmee appellante 100% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarop de uitkering.
Appellante maakte bezwaar en het UWV paste enkele beperkingen aan, waarna de arbeidsongeschiktheid werd berekend op 3,72%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig en overtuigend was en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische klachten ernstiger waren dan erkend, onderbouwd met medische brieven en diagnoses na de datum in geding. Het UWV leverde aanvullende rapporten van verzekeringsartsen.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling juist was, dat de beperkingen passend waren bij een matige depressie en gegeneraliseerde angststoornis, en dat er geen aanwijzingen waren voor volledige arbeidsongeschiktheid. De geschiktheid van de functies werd bevestigd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-uitkering terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.