ECLI:NL:CRVB:2021:32
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als begeleidster, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies medisch geschikt voor appellante.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, stellende dat haar beperkingen werden onderschat en zij niet in staat was de functies te verrichten. Zij verwees naar medische rapporten over sarcoïdose, sikkelziekte en depressie. Het UWV verwees naar een uitgebreid rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep waarin de beperkingen juist waren weergegeven.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd, waren medisch geschikt. De latere ziekmelding en ZW-uitkering vanaf 2019 betroffen een gewijzigde situatie die niet relevant was voor de beoordeling per 11 april 2017.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard.