ECLI:NL:CRVB:2021:321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermindering bestuurlijke boete studiefinanciering wegens overschrijding redelijke termijn
Appellante ontving vanaf oktober 2013 studiefinanciering op basis van de norm voor uitwonende studenten, terwijl zij feitelijk thuiswonend was. Na onderzoek door controleurs werd de studiefinanciering herzien en een terugvordering van €1.983,46 opgelegd. Tevens werd een bestuurlijke boete van €991,73 opgelegd, gehandhaafd bij besluit van 18 augustus 2017.
In hoger beroep stelde appellante dat de controleurs niet bevoegd waren tot het onderzoek en verzocht zij om matiging van de boete vanwege persoonlijke omstandigheden. De Raad oordeelde dat de controleurs wel bevoegd waren en dat de persoonlijke omstandigheden geen reden vormden voor matiging van de boete. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met twee jaar en zeven maanden was overschreden, geheel toe te rekenen aan de minister.
Op grond van deze overschrijding werd de boete met 30% verminderd, wat neerkomt op een verlaging van €297,52. De boete werd daarmee vastgesteld op €694,21. Daarnaast werd het betaalde griffierecht van €172,- aan appellante vergoed. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, behalve wat betreft de hoogte van de boete.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt verminderd met 30% wegens overschrijding van de redelijke termijn en vastgesteld op €694,21.