ECLI:NL:CRVB:2021:3258
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte berekening aanvullende uitkering en rentevergoeding bij PTSS-beroepsziekte
Appellant, voormalig politieambtenaar, diende een verzoek in tot erkenning van PTSS als beroepsziekte en aanspraak op een aanvullende uitkering op zijn WAO-uitkering. De korpschef berekende de aanvullende uitkering op basis van 90,02% van de laatstverdiende bezoldiging, conform het oude artikel 39 van Pro het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Appellant maakte bezwaar tegen deze berekening en tegen het toegepaste inhoudingspercentage van 51,75%.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, waarbij werd geoordeeld dat de aanvullende uitkering niet op 100% kon worden vastgesteld en dat het bijzondere tarief correct was toegepast. Ook werd bepaald dat wettelijke rente pas verschuldigd is vanaf het moment dat het bestuursorgaan in verzuim is geraakt, namelijk 14 weken na het eerste verzoek tot uitbetaling.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de aanvullende uitkering op 100% had moeten worden berekend en dat een lager inhoudingspercentage had moeten worden toegepast. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het oude artikel 39 van Pro het Bbp leidend is en dat het bijzondere tarief conform het loonheffingenhandboek correct is toegepast. Daarnaast werd bevestigd dat de wettelijke rente terecht is toegekend vanaf 19 maart 2018, omdat het bestuursrechtelijke karakter van de aanspraak betekent dat rente pas ontstaat na verzuim.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de aanvullende uitkering correct is berekend op 90,02% en dat wettelijke rente terecht is toegekend vanaf 19 maart 2018.